Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was gebruiker van een onroerende zaak die deels op Belgisch en deels op Nederlands grondgebied ligt. De kern van het geschil betrof de vraag of de rioolheffing terecht was geheven door de gemeente Baarle-Nassau, aangezien de hoofdrioolaansluiting en het waterleidingnet op Belgisch grondgebied zijn gelegen.
De rechtbank stelde vast dat het afvalwater indirect via de Belgische riolering op de gemeentelijke riolering van Baarle-Nassau wordt afgevoerd en dat ook hemelwater van het Nederlandse deel wordt afgevoerd. Dit voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 van Pro de Verordening rioolheffing, waardoor de heffing rechtmatig is.
Belanghebbende voerde aan dat dubbele heffing plaatsvond omdat België ook rioolheffing heft, maar de rechtbank oordeelde dat dit geen beletsel is voor de Nederlandse heffing. Daarnaast verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om te oordelen over een verzoek tot kwijtschelding van de heffing, omdat dit buiten haar rechtsmacht valt.
Een verzoek om prejudiciële vragen aan het Benelux-Gerechtshof werd afgewezen omdat het verdrag dat betrekking heeft op invordering van belastingschulden niet van toepassing is op de heffing zelf.
De beroepen werden ongegrond verklaard en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 4 september 2019.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de rioolheffing terecht is geheven.