Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen meerdere WOZ-beschikkingen en de daarmee samenhangende aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor vijf onroerende zaken. Eén bezwaar werd gegrond verklaard, de overige ongegrond. De heffingsambtenaar kende een proceskostenvergoeding toe met een lage wegingsfactor van 0,25, wat belanghebbende betwistte.
De rechtbank stelde vast dat het bezwaar als één zaak moet worden beschouwd, ook al betreft het meerdere beschikkingen. De wegingsfactor moet worden bepaald aan de hand van het belang, de ingewikkeldheid en de werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. De rechtbank oordeelde dat de zaak van gemiddeld gewicht was vanwege de inhoudelijke motivering, met name voor één object.
De rechtbank wees het beroep toe, vernietigde het besluit over de proceskostenvergoeding en veroordeelde de heffingsambtenaar tot een hogere vergoeding van €773, inclusief griffierecht en kosten kadastraal uittreksel. De uitspraak werd gedaan door rechter M.H. van Schaik en griffier N.M. Zandbergen op 19 september 2019.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van €773 aan proceskosten.