Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende stelde bezwaar tegen de BPM-heffing over maart 2017, maar de inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Dit was niet in geschil, waardoor het beroep ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het griffierecht van €170 rechtmatig was geheven en wees het beroep tegen dit griffierecht af. Wel kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, die in dit geval twee jaar bedroeg. Materiële schadevergoeding werd afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing.
De inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ter hoogte van €512, maar het verzoek van de inspecteur om belanghebbende te veroordelen wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht werd afgewezen. De rechtbank vond onvoldoende grond voor een dergelijke veroordeling, mede omdat de ambtenaren ook voor andere zaken aanwezig waren.
De uitspraak werd gedaan door rechter M.R.T. Pauwels op 2 oktober 2019 te Breda. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep werd ongegrond verklaard, immateriële schadevergoeding van €500 toegekend en de inspecteur veroordeeld in proceskosten van €512.