Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Een maatschap van natuurlijke personen bracht hun aandelen in onroerende zaken in een commanditaire vennootschap (CV) in, waarbij belanghebbende, een B.V., als beherend vennoot fungeert. De onroerende zaken zijn bij notariële akte overgedragen aan belanghebbende, die overdrachtsbelasting betaalde. Belanghebbende betwistte dat deze overgang een belastbare levering is in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR).
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende juridisch eigenaar is geworden en dat de levering belast is met overdrachtsbelasting. De stelling dat belanghebbende slechts 'op naam' handelde voor rekening en risico van de CV werd verworpen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet, omdat geen vergelijkbare gevallen anders werden behandeld.
De rechtbank verwierp het betoog dat sinds de wetswijziging in 1995 alleen economische eigendom belastbaar is en bevestigde dat zowel juridische als economische eigendom belastbare feiten zijn. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de levering belast is met overdrachtsbelasting.