Belanghebbende, beherend vennoot in een commanditaire vennootschap (CV), voerde bezwaar tegen de heffing van overdrachtsbelasting over de verkrijging van onroerende zaken in het kader van inbreng in de CV. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het geschil betrof de vraag of de levering van de onroerende zaken aan belanghebbende een verkrijging in de zin van artikel 2, lid 1, Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 vormt. Belanghebbende stelde dat zij niet de verkrijger was omdat de CV geen rechtspersoonlijkheid heeft en zij als beherend vennoot geen beschikkingsmacht heeft. Tevens beriep zij zich op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, verwijzend naar een besluit van de staatssecretaris.
Het hof oordeelde dat belanghebbende de juridische eigendom van de onroerende zaken heeft verkregen en dat dit voldoende is voor de heffing van overdrachtsbelasting. Het beroep op het besluit van 2015 en de beginselen werd afgewezen. Het hof wees nieuwe stellingen van de inspecteur buiten beschouwing wegens strijd met de procesorde en zag geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.