Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende nam deel in een Filmfonds met een inleg van €10.000 in 2013, gericht op de productie en exploitatie van twee films. De inspecteur stelde dat deze participatie geen bron van inkomen vormde en legde een aanslag op met een belastbaar inkomen van €58.401. Belanghebbende voerde aan dat de participatie wel degelijk een bron van inkomen was en dat het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel waren geschonden.
De rechtbank stelde vast dat voor het aannemen van een bron van inkomen drie voorwaarden gelden: deelname aan het economische verkeer, het oogmerk om voordeel te behalen, en de objectieve verwachting dat dat voordeel redelijkerwijs kan worden behaald. De kern van het geschil betrof de objectieve voordeelsverwachting zonder fiscale faciliteiten.
Uit de prospectus en de gerealiseerde opbrengsten van de films bleek dat alleen bij zeer hoge box-officeopbrengsten een positief rendement zonder fiscale voordelen mogelijk was. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de participatie in het Filmfonds een dergelijk positief rendement kon opleveren. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde niet tot proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 21 november 2019.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de participatie in het Filmfonds geen bron van inkomen vormt en verklaart het beroep ongegrond.