Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, werkzaam als saturatieduiker in de olie- en gasindustrie, voerde werkzaamheden uit voor twee bemiddelende ondernemingen in 2013 en 2014. Hij factureerde aan deze bemiddelaars en ontving betaling per gewerkte dag, zonder directe contractuele relatie met de opdrachtgevers. De inspecteur stelde na een boekenonderzoek vast dat de inkomsten niet als winst uit onderneming kwalificeren, maar als resultaat uit overige werkzaamheden, waardoor ondernemersfaciliteiten werden gecorrigeerd.
De rechtbank heeft beoordeeld of belanghebbende als ondernemer kan worden aangemerkt volgens de Wet IB 2001. Hierbij werd gekeken naar zelfstandigheid, ondernemingsrisico, aantal opdrachtgevers, mate van betrokkenheid bij contracten en de wijze van facturering. De rechtbank concludeerde dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden had aangetoond die ondernemerschap ondersteunen.
Belanghebbende had slechts twee opdrachtgevers, was niet betrokken bij contractsluitingen, factureerde alleen aan bemiddelaars, ontving vaste dagtarieven en droeg een beperkt ondernemersrisico. Investeringen waren gering en hij had geen invloed op vervanging bij ziekte. Deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van winst uit onderneming.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de aanslagen en correcties van de inspecteur. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat de werkzaamheden van belanghebbende geen winst uit onderneming vormen.