Belanghebbende, producent van vruchtensappen en limonades, betaalde verbruiksbelasting over het product Fruitontbijt aanvankelijk tegen het tarief voor vruchtensap. Na een onderzoek in 2008 werd dit tarief door de inspecteur geaccepteerd, waardoor bij belanghebbende gerechtvaardigd vertrouwen werd gewekt dat deze indeling correct was.
In 2016 stelde de inspecteur echter een naheffingsaanslag vast omdat Fruitontbijt volgens de wet als limonade moest worden belast. Belanghebbende betoogde dat het vertrouwensbeginsel toepassing vindt en dat de naheffing daarom achterwege moet blijven. De rechtbank oordeelde dat het gewekte vertrouwen niet door belanghebbende zelf kon zijn beëindigd zonder een handeling van de inspecteur.
De rechtbank stelde vast dat de invoering van een nieuw ERP-systeem en de tijdelijke wijziging van het tarief door belanghebbende geen beëindiging van het vertrouwen betekenden. Ook was niet aannemelijk dat belanghebbende eerder dan 2016 op de hoogte was van de onjuiste indeling. Daarom werd de naheffing verminderd tot een bedrag dat overeenkomt met het juiste tarief, met een corresponderende vermindering van belastingrente en boete.
Daarnaast werd de verzuimboete met 20% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank wees een proceskostenvergoeding toe aan belanghebbende van € 1.050 en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak is openbaar gedaan op 5 maart 2020.