Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het wrakingsverzoek ontvangen op 18 februari 2020;
- de brief van de griffier van 20 februari 2020 aan [naam cliënt] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 18 februari 2020 diende verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die belast is met de behandeling van een bestuursrechtelijke zaak. Verzoeker was echter op 28 januari 2020 reeds geweigerd als gemachtigde in meerdere zaken, waaronder de onderhavige, waardoor hij niet bevoegd is om namens zijn cliënt een wrakingsverzoek in te dienen.
De rechtbank stelde verzoeker en de belanghebbenden in de gelegenheid om binnen vier weken een andere gemachtigde aan te wijzen. Vervolgens werd aan de cliënt van verzoeker gevraagd binnen zeven dagen te reageren of hij zelf een wrakingsverzoek wenste in te dienen, met vermelding van de gronden daarvoor. Er is geen reactie ontvangen.
Gezien het ontbreken van een reactie en de eerdere weigering van verzoeker als gemachtigde, verklaarde de wrakingskamer het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk. De beslissing werd op 10 maart 2020 door drie rechters genomen en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard omdat de verzoeker als gemachtigde is geweigerd.