Eiser, exploitant van een dierenbegraafplaats en -crematorium, stelde beroep in tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Breda waarin meerdere lasten onder dwangsom werden opgelegd wegens overtredingen van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De overtredingen betroffen onder meer het niet kunnen aantonen van naleving van emissienormen en het ontbreken van continue meting en registratie van zuurstofgehalte en temperatuur in de naverbrandingsruimte.
De rechtbank besprak de resterende lasten die betrekking hadden op de onvoldoende emissierapportage, de verblijftijd van afgassen in de naverbrandingsruimte en de continue meting van zuurstofgehalte en temperatuur. Eiser voerde onder meer aan dat eerdere vergunningen en revisiebesluiten voldoende waren en dat de lastgeving onduidelijk en disproportioneel was.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht nadere informatie mocht vorderen en dat de opgelegde lasten helder en rechtmatig waren geformuleerd. De verwijzingen naar eerdere vergunningen waren onvoldoende om aan de bewijslast te voldoen. Ook was het handhavend optreden niet disproportioneel, ondanks de kosten van benodigde investeringen. De begunstigingstermijn werd als redelijk beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Het vonnis werd uitgesproken door rechter T. Peters op 18 maart 2020.