ECLI:NL:RBZWB:2020:1466
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen ambtshalve verleende ligplaatsvergunningen in Vlissingen
Eiseres stelde beroep in tegen het besluit van 27 juni 2017 van het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen betreffende vijftien ambtshalve verleende ligplaatsvergunningen in de Binnenhaven van Vlissingen. Zij betoogde onder meer dat de Havenverordening geen juiste procedure bevat voor de verdeling van schaarse ligplaatsvergunningen en dat het college onvoldoende rekening had gehouden met haar belangen.
De rechtbank stelde vast dat de vergunningen inmiddels zijn geëxpireerd en dat eiseres geen procesbelang meer had bij het beroep, omdat zij niet meer kan bereiken wat zij met het beroep beoogde. Ook slaagde eiseres er niet in aannemelijk te maken dat zij materiële of immateriële schade had geleden door de verleende vergunningen. De rechtbank verklaarde het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van eiseres om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Gelet op de duur van de procedure en de jurisprudentie achtte de rechtbank de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden en veroordeelde de Staat tot betaling van een vergoeding van €1.500,- aan eiseres.
De uitspraak werd gedaan door rechter T. Peters op 27 maart 2020 en openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en de Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.