Eisers ontvingen sinds 2004 met onderbrekingen een bijstandsuitkering, laatstelijk toegekend in 2016. Na een melding over een verbouwing en contant geld startte het college een heronderzoek en verzocht eisers om diverse bankafschriften en bewijsstukken over inkomsten en bestedingen. Eisers leverden slechts gedeeltelijk informatie aan, waarna het recht op bijstand per 27 maart 2019 werd opgeschort en bij gebrek aan herstel ingetrokken.
De intrekking over de periode van 19 november 2018 tot en met 26 maart 2019 werd gebaseerd op een onduidelijke inkomens- en vermogenspositie, met niet verklaarde stortingen en giften van familieleden, verblijf op een vakantiepark en een verbouwing. Eisers voerden aan dat zij alle benodigde informatie hadden verstrekt en dat het college meer onderzoek had moeten doen, onder meer via Fivoor, maar de rechtbank oordeelde dat de informatieplicht bij eisers lag en dat zij niet tijdig en volledig hadden meegewerkt.
De rechtbank beoordeelde dat het college terecht het recht op bijstand had ingetrokken op grond van artikel 54, derde en vierde lid, van de Participatiewet. De rechtbank verwierp het beroep en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.