De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van belanghebbende tegen de inspecteur van de Belastingdienst over een verzoek tot teruggaaf van omzetbelasting voor de periode van 2 februari 2009 tot en met 31 december 2019. Na een eerdere tussenuitspraak waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde ten aanzien van de ambtshalve beslissing van de inspecteur, is in deze einduitspraak het beroep gegrond verklaard voor zover het de niet-ontvankelijkheid van het verzoek betreft.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende tijdig een verzoek om teruggaaf had ingediend op grond van de artikelen 14, 15, 17 en 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en dat aanspraak op teruggaaf mogelijk was. De inspecteur werd opgedragen nader onderzoek te doen naar het aftrekbare deel van de voorbelasting.
Uit de nadere reactie van de inspecteur bleek dat er geen sprake was van vrijgestelde omzet en dat de zonnepanelen niet voor vrijgestelde activiteiten werden gebruikt, waardoor de volledige voorbelasting in aanmerking komt voor aftrek. De rechtbank kende daarom een teruggaaf toe van €6.842, zijnde het verschil tussen de aftrekbare voorbelasting en de verschuldigde belasting. Tevens werd de inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van €174 te vergoeden. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen kosten waren gesteld.