ECLI:NL:RBZWB:2020:1513

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
31 maart 2020
Publicatiedatum
30 maart 2020
Zaaknummer
BRE-19_1870
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 15 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 17 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 31 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 65 Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggaaf omzetbelasting op zonnepanelen bevestigd na ambtshalve beslissing

De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde het beroep van belanghebbende tegen de inspecteur van de Belastingdienst over een verzoek tot teruggaaf van omzetbelasting voor de periode van 2 februari 2009 tot en met 31 december 2019. Na een eerdere tussenuitspraak waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde ten aanzien van de ambtshalve beslissing van de inspecteur, is in deze einduitspraak het beroep gegrond verklaard voor zover het de niet-ontvankelijkheid van het verzoek betreft.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende tijdig een verzoek om teruggaaf had ingediend op grond van de artikelen 14, 15, 17 en 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en dat aanspraak op teruggaaf mogelijk was. De inspecteur werd opgedragen nader onderzoek te doen naar het aftrekbare deel van de voorbelasting.

Uit de nadere reactie van de inspecteur bleek dat er geen sprake was van vrijgestelde omzet en dat de zonnepanelen niet voor vrijgestelde activiteiten werden gebruikt, waardoor de volledige voorbelasting in aanmerking komt voor aftrek. De rechtbank kende daarom een teruggaaf toe van €6.842, zijnde het verschil tussen de aftrekbare voorbelasting en de verschuldigde belasting. Tevens werd de inspecteur opgedragen het betaalde griffierecht van €174 te vergoeden. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend omdat geen kosten waren gesteld.

Uitkomst: De rechtbank kent teruggaaf van €6.842 omzetbelasting toe en draagt de inspecteur op het griffierecht te vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer
Locatie: Breda
Zaaknummer BRE 19/1870
uitspraak van 31 maart 2020
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] ,
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
de inspecteur.
De bestreden beslissingen
De beslissingen van de inspecteur van 23 oktober 2018 naar aanleiding van het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van omzetbelasting voor het tijdvak 2 februari 2009 tot en met 31 december 2019 (nummer [aanslagnummer] ).
Tussenuitspraak en vervolg
De rechtbank heeft op 17 december 2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:5731) een tussenuitspraak gedaan in deze zaak (hierna: de tussenuitspraak). Na een stukkenwisseling is een nadere zitting met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb achterwege gebleven.

1.Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd voor zover het beroep betrekking heeft op de ambtshalve beslissing;
  • verklaart het beroep gegrond voor zover het betrekking heeft op de beslissing van de inspecteur om het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting niet-ontvankelijk te verklaren;
  • vernietigt die beslissing;
  • verleent teruggaaf tot een bedrag van € 6.842;
  • draagt de inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 174 aan deze te vergoeden.

2.Motivering

2.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat zij niet bevoegd is te oordelen over de beslissing van de inspecteur om niet op grond van artikel 65 van Pro de AWR teruggaaf van omzetbelasting te verlenen (de ambtshalve beslissing). Aldus is nu ook beslist bij deze einduitspraak.
2.2.
Met betrekking tot het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting op grond van artikel 31 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna de Wet) heeft de rechtbank bij de tussenuitspraak in de kern het volgende overwogen:
i) Aan belanghebbende kan niet worden tegengeworpen dat hij niet tijdig op de voet van de artikelen 14, 15, 17 en 31 van de Wet een verzoek om teruggaaf heeft gedaan.
ii) Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende aanspraak kan maken op teruggaaf van omzetbelasting.
iii) Het bedrag aan teruggaaf bedraagt het verschil tussen het bedrag aan de aftrekbare voorbelasting en het niet in geschil zijnde bedrag van verschuldigde belasting van € 140.
iv) De inspecteur wordt opgedragen om nader feitelijk onderzoek te doen in verband met de vraag welk deel van de voorbelasting van € 6.982 aftrekbaar is.
2.3.
Bij brief van 26 februari 2020 heeft de inspecteur gemeld dat er geen sprake is van vrijgestelde omzet in de periode waarop het teruggaafverzoek ziet, en dat van gebruik van zonnepanelen voor vrijgestelde activiteiten geen sprake is. De rechtbank begrijpt uit de brief (aldus) dat de inspecteur zich op het standpunt stelt dat de voorbelasting alleen betrekking heeft op belaste activiteiten. Dit betekent dat – in lijn met het standpunt van belanghebbende – het gehele bedrag aan voorbelasting in aanmerking komt voor vooraftrek. Gelet op wat bij de tussenuitspraak is overwogen (zie 2.2), moet dan aan belanghebbende een teruggaaf worden verleend van (€ 6.982 minus € 140 is) € 6.842. Aldus is beslist bij deze einduitspraak.
2.4.
Nu het beroep in zoverre gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht vergoeden. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Er is niet gebleken van proceskosten voor rechtsbijstand en er zijn overigens geen kosten gesteld die voor vergoeding in aanmerking komen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R.T. Pauwels, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 31 maart 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona-virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting, maar wordt deze uitspraak gepubliceerd op www.rechtspraak.nl..
De griffier, De rechter,
(De griffier is verhinderd (Was getekend
deze uitspraak te ondertekenen) mr. M.R.T. Pauwels)
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.