ECLI:NL:RBZWB:2020:2167
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag Participatiewet wegens onvoldoende bewijs financiële situatie
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen waarbij zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet is afgewezen. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep de aanvrager duidelijkheid moet verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie. Verzoeker heeft onvoldoende concreet en verifieerbaar bewijs geleverd over zijn financiële situatie, met name over huishoudelijke uitgaven in de periode voorafgaand aan de aanvraag. Bankafschriften toonden geen huishoudelijke uitgaven aan en verklaringen van derden waren onvoldoende concreet.
Het college heeft gemotiveerd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld vanwege deze onduidelijkheden. De voorzieningenrechter oordeelde dat het college terecht het standpunt inneemt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien, en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er is tevens een proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van het recht op bijstand.