Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017, specifiek tegen de forfaitaire vermogensrendementsheffing in box 3. Hij stelde dat deze heffing voor hem een individuele en buitensporige last vormt in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De rechtbank heeft de gehele financiële situatie van belanghebbende betrokken, waaronder het belastbaar inkomen uit werk en woning, het vermogen inclusief de eigen woning en de ontvangen rente. Belanghebbende voerde aan dat zijn beperkte beleggingsmogelijkheden, risicomijdend gedrag en de lage rente als gevolg van het ECB-beleid leiden tot een buitensporige last. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om te concluderen dat de last voor belanghebbende zwaarder weegt dan voor anderen in een vergelijkbare situatie.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende niet voldeed aan zijn bewijslast om aan te tonen dat sprake is van een individuele buitensporige last. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 mei 2020.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de box 3-heffing 2017 wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een individuele buitensporige last.