Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- overtreding van artikel 3b en 3c van de Opiumwet op de locatie [adres 2] te Middelburg in de periode van 1 april 2004 tot en met 12 januari 2008;
- diefstal van stroom op de locatie [adres 2] te Middelburg in de periode van 1 april 2004 tot en met 12 januari 2008;
- overtreding van artikel 3b en 3c van de Opiumwet op de locatie [adres 3] te Borsele in de periode van 1 april 2004 tot en met 4 februari 2008.
2.Het standpunt van de officier van justitie
3.Het standpunt van de verdediging
Betrokkene heeft zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij bekend, maar stelt dat hij in september 2007 met de hennepkwekerij is begonnen, nadat hij in geldnood was gekomen door zijn ontslag bij defensie. Het is niet mogelijk dat er eerder met de hennepkwekerij is begonnen, omdat er in de zomer van 2007 diverse aannemers in de woning zijn geweest in verband met grote onderhoudswerkzaamheden.
4.Het oordeel van de rechtbank
1 april 2004 tot 4 februari 2008 hennep heeft geteeld. Zij sluit hiermee aan bij de door de rechtbank bewezenverklaarde periode. Het is niet aannemelijk geworden dat de periode waarin geteeld is af zou wijken van deze periode.
€ 4,49 per plant, in totaal € 1.885,80 per oogst;
€ 452.570,40.
€ 4,49 per plant, in totaal € 2.159,69 per oogst;
€ 4,49 per plant, in totaal € 1.755,59 per oogst;
€ 169.097,71, aan betrokkene toegerekend.
€ 621.668,11.
€ 466.251,00. De vordering van de officier van justitie zal zij voor het overige afwijzen.
€ 7.706,36 gesteld moet worden omdat de betrokkene het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan terugbetalen, treft dan ook geen doel.
5.De wettelijke voorschriften
6.De beslissing
€ 621.668,11;
€ 466.251,00, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
360 dagen;