Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, enig aandeelhouder van een B.V., heeft voor het jaar 2012 navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw ontvangen vanwege een vermeend te laag aangegeven resultaat uit overige werkzaamheden. Hij had overeenkomsten gesloten met zijn B.V. ter waarde van € 400.000, bestaande uit geldleningen en levering van materialen, terwijl hij in zijn aangifte slechts € 2.697 aan inkomsten had opgegeven.
De inspecteur stelde dat belanghebbende onvoldoende aangifte had gedaan en dat hij meer inkomsten moest hebben genoten dan opgegeven. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende inkomen uit een onbekende bron had genoten, en dat de bewijslast was omgekeerd en verzwaard. Belanghebbende leverde geen bewijs om dit te weerleggen.
De rechtbank vond de navorderingsaanslag berusten op een redelijke schatting, gezien de overeenkomsten en het ontbreken van een sluitende verklaring. Het beroep tegen de aanslagen en de belastingrente werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2012 worden bevestigd.