Verzoeker is eigenaar en bewoner van een woning waar bij een politieonderzoek een grote hoeveelheid harddrugs is aangetroffen, waaronder 2.829 gram MDMA-pillen en 809 gram amfetamine. De burgemeester legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor zes maanden vanwege de handel in harddrugs.
Verzoeker betwist niet de aanwezigheid van de drugs, maar stelt dat hij deze onder dwang bewaart en dat de woning geen rol speelt in drugshandel. Hij voert aan dat de belangenafweging onevenredig uitpakt vanwege persoonlijke omstandigheden, zoals de opslag van winkelvoorraad van zijn ex-partner, de opvoeding van zijn zoon en zijn werkloosheid.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester terecht heeft geconcludeerd dat de drugs bestemd waren voor handel en dat de sluiting noodzakelijk is ter bescherming van de openbare orde en het woonklimaat. De persoonlijke omstandigheden van verzoeker worden niet als bijzondere omstandigheden aangemerkt die een uitzondering rechtvaardigen.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er volgt geen proceskostenveroordeling.