Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die is vastgesteld op €131.000 per 1 januari 2017. De woning betreft een rijtjeswoning uit 1954 met een inhoud van circa 328 m³ en een perceel van ongeveer 119 m². Belanghebbende stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld en wijst op specifieke kenmerken van vergelijkingsobjecten die volgens hem onvoldoende zijn meegewogen.
De heffingsambtenaar heeft een taxatierapport overgelegd, waarin de woning is getaxeerd op €151.000. Dit rapport bevat vergelijkingsobjecten die qua type, bouwjaar, ligging en onderhoud vergelijkbaar zijn met de woning. De rechtbank oordeelt dat de verschillen tussen de woning en de referentieobjecten voldoende zijn gecompenseerd in de waardering en dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van de zaak is overschreden met ongeveer een half jaar. Daarom kent de rechtbank een vergoeding van €500 toe wegens immateriële schade. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan belanghebbende vergoed. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van de genoemde vergoedingen.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met een vergoeding van €500 voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.