Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[ naam belanghebbende 1] en [naam belanghebbende 2],
1.[ naam belanghebbende 1] ,
[naam belanghebbende 2],
1.De procedure
3.De beoordeling
€ 6.273,00. [namen belanghebbenden] hebben de curator daarop informatie verstrekt over de hoogte van de ontvangen AOW- en pensioenuitkering.
Hoewel er aanwijzingen zijn dat [namen belanghebbenden] naast hun AOW- en pensioenuitkering inkomsten hebben (gehad), onvoldoende vast [staat] dat zij de beslagvrije voet op dit moment (nog) uit andere inkomsten genereren.”
€ 34.059,00. Eind 2018 was dit nog maar een vordering van € 8.990,00. De curator leidt daaruit af dat er vorderingen zijn geïncasseerd. Ook is er sprake van een mutatie in liquide middelen, hetgeen volgens de curator duidt op contante opnames.
[namen belanghebbenden] geven stelselmatig geen antwoord op de vragen van de curator. Doordat [namen belanghebbenden] weigeren inzage te verstrekken in hun inkomsten en niet voldoen aan de op hen rustende inlichtingenplicht, heeft de rechter-commissaris naar mening van de curator ten onrechte geoordeeld dat ondanks de aanwijzingen daarvoor, onvoldoende vast staat dat [namen belanghebbenden] naast hun AOW- en pensioenuitkering inkomsten hebben (gehad). Volgens de curator is het duidelijk dat er nog altijd inkomstenstromen lopen via Vandomij N.V. De curator stelt zich op het standpunt dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat [namen belanghebbenden] maandelijks bedragen tot hun beschikking hebben (ver) boven het vrij te laten bedrag, en dat het op de weg van [namen belanghebbenden] ligt om inzicht te geven in alle relevante bescheiden om het tegendeel te bewijzen.