ECLI:NL:RBZWB:2020:5515
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kwijtschelding en verjaring van terugvorderingen UWV
Eiser betwistte dat het UWV openstaande vorderingen van in totaal €9.801,19 mocht terugvorderen en stelde dat deze vorderingen verjaard waren. Het UWV had een deel van de vorderingen van €251,83 kwijtgescholden, maar de overige vorderingen niet. De rechtbank oordeelde dat het UWV de verjaring tijdig had gestuit door middel van aanmaningsbrieven, waardoor de vorderingen niet verjaard waren.
Eiser voerde aan dat hij de ontvangst van de aanmaningen en terugvorderingsbesluiten niet had bevestigd en dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn financiële situatie en psychische problemen, tot kwijtschelding hadden moeten leiden. De rechtbank vond deze betwisting niet geloofwaardig en stelde dat eiser de gevolgen van het niet bijhouden van zijn post zelf droeg.
De rechtbank overwoog verder dat het UWV op grond van de geldende beleidsregels en wettelijke bepalingen niet bevoegd was tot verdere kwijtschelding, omdat niet aan de voorwaarden was voldaan, zoals het voldoen van 50% van de vordering. Bij vorderingen die voortvloeiden uit overtreding van de inlichtingenplicht was sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid, waarbij alleen consistentie van toepassing wordt getoetst, niet de redelijkheid.
Voor één vordering zonder overtreding van de inlichtingenplicht beoordeelde de rechtbank of bijzondere omstandigheden tot kwijtschelding leidden, maar concludeerde dit niet. Ook het beroep op dringende redenen werd verworpen omdat deze alleen bij initiële vaststelling van terugvordering relevant zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van het UWV.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet-kwijtschelden van openstaande vorderingen door het UWV wordt ongegrond verklaard.