Eiseres, getroffen door een herseninfarct en daardoor linkszijdig beperkt, vroeg het college om een maatwerkvoorziening voor aanpassing van haar douche en badkamer. Het college wees de aanvraag af en stelde dat verhuizen naar een gelijkvloerse woning de goedkoopst adequate voorziening is, waarbij een verhuiskostenvergoeding werd aangeboden.
De rechtbank beoordeelde of het college het stappenplan uit de Wmo 2015 correct had gevolgd, waaronder het vaststellen van de hulpvraag, het bepalen van de beperkingen en de benodigde voorzieningen. De rechtbank vond dat het college terecht had vastgesteld dat eiseres beperkingen ondervindt bij het betreden en gebruiken van haar badkamer, maar onvoldoende had onderbouwd dat er beperkingen zijn bij de entree van de woning.
De rechtbank oordeelde dat alleen het plaatsen van een inloopdouche met zitje onvoldoende is om de woning veilig en langdurig geschikt te maken. De kosten van de noodzakelijke badkameraanpassing werden door het college geraamd op circa € 20.000, terwijl een verhuiskostenvergoeding van € 2.500 werd aangeboden. Aangezien passende gelijkvloerse woonruimte binnen enkele maanden beschikbaar is, is verhuizen de goedkoopst adequate voorziening.
Eiseres voerde aan dat de kosten lager konden zijn en verhuizen geen optie was, maar de rechtbank stelde dat het college ook bij een lagere kosteninschatting nog steeds de verhuiskostenvergoeding als goedkoopst adequate voorziening mocht hanteren. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit van het college bleef in stand.