Appellant, met diverse lichamelijke beperkingen, vroeg een financiële tegemoetkoming aan voor verhuis- en herinrichtingskosten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college wees de aanvraag af omdat appellant al sinds 2006 ingeschreven stond bij WoningNet en er sprake zou zijn van een voorzienbare verhuizing. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat appellant een woning had aanvaard die volgens het college geschikt was.
In hoger beroep stelt appellant dat de woning ongeschikt is vanwege de trap naar de slaapkamers en natte cel, waardoor hij essentiële woonfuncties niet kan gebruiken. De Raad oordeelt dat het college het bestreden besluit ten onrechte baseerde op de oude Wmo en vernietigt het besluit. De Raad bevestigt dat de woning ongeschikt is, mede omdat appellant op eigen kosten een traplift heeft geplaatst en in de woonkamer slaapt.
De Raad handhaaft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, waardoor appellant geen recht heeft op een financiële tegemoetkoming. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De uitspraak benadrukt het belang van het verhuisprimaat en de noodzaak van een passende woning voor het toekennen van verhuisvergoedingen.