Eiseres, werkzaam als orderpicker, viel op 5 juni 2018 uit wegens klachten aan het bewegingsapparaat en ontving vanaf 9 juli 2018 een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 5 juli 2019 na een eerstejaarsbeoordeling, omdat eiseres volgens medisch en arbeidskundig onderzoek meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen met passend werk. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank stelde vast dat eiseres 52 weken arbeidsongeschikt was geweest en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen, die lichte beperkingen vaststelden met een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 17 mei 2019. Eiseres voerde aan dat haar rug- en heupklachten onvoldoende waren meegenomen, maar de rechtbank vond dat de beperkingen adequaat waren beoordeeld.
Een arbeidsdeskundige stelde vast dat eiseres geschikt was voor functies als productiemedewerker, wikkelaar en administratief medewerker. Op basis van deze functies concludeerde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor zij geen recht meer had op een Ziektewetuitkering. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken omdat het beroep werd afgewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.