ECLI:NL:CRVB:2021:2811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over beëindiging ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling
Appellante, laatst werkzaam als orderpicker, meldde zich op 5 juni 2018 ziek met klachten aan het bewegingsapparaat. Het UWV beoordeelde haar situatie in het kader van de eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) en stelde op 24 mei 2019 vast dat zij vanaf 5 juli 2019 geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en lichamelijke belastbaarheid geringer was dan het UWV had aangenomen en dat haar medische gegevens onvoldoende waren meegewogen. De Centrale Raad van Beroep concludeert dat deze gronden een herhaling zijn van eerdere bezwaren en onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding is voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
De Raad volgt het oordeel dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de functies waarop de beoordeling is gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellante. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.