Eiseres, als wettelijk vertegenwoordiger van haar zoon met een gehoorstoornis en autisme spectrumstoornis, maakte bezwaar tegen het besluit van het zorgkantoor om het persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding tijdens vakanties in Marokko te beperken tot 20 uur per week per zorgverlener, terwijl zij 30 uur per week had aangevraagd. Het zorgkantoor stelde dat meer uren niet doelmatig waren en dat een deel van het toezicht niet onder Wlz-zorg valt.
De rechtbank overwoog dat eiseres onvoldoende concrete en objectieve bewijsstukken had aangeleverd om aan te tonen dat haar zoon tijdens de vakanties in Marokko meer begeleiding nodig had dan in Nederland, waar ook 20 uur per week voldoende bleek. Daarnaast werd het beroep op het Verdrag inzake de rechten van het kind verworpen omdat deze bepalingen geen directe werking hebben in het Nederlandse recht.
De rechtbank concludeerde dat het zorgkantoor zorgvuldig en binnen haar bevoegdheid had gehandeld door de zorgovereenkomsten slechts gedeeltelijk goed te keuren en het pgb te beperken tot 20 uur per week per zorgverlener. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.