ECLI:NL:CRVB:2019:84
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling berekening meerzorg en pgb bij ZZP 7 VG
Appellante, met diverse aandoeningen en woonachtig bij haar ouders, heeft een indicatie voor zorgzwaartepakket (ZZP) 7 VG met dagbesteding en ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor. Het zorgkantoor heeft na advisering door het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) vastgesteld dat appellante recht heeft op meerzorg dan het reguliere ZZP-pakket, waarbij een bedrag voor meerzorg is toegekend bovenop het reguliere pgb.
Appellante stelde dat de berekening van het bedrag aan meerzorg onjuist was, onder meer omdat zij 24 uur per dag één-op-één-begeleiding nodig zou hebben en dat het zorgkantoor een te laag uurtarief hanteerde. Tevens voerde zij aan dat meerzorg voor hulp bij het huishouden had moeten worden toegekend en dat het zorgkantoor een besluit over meerzorg voor drie jaar had moeten nemen.
De Raad oordeelt dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde zorgbehoefte van 13 uur per dag onvoldoende is en dat het zorgkantoor terecht geen pgb verleent voor permanent toezicht of 24-uurs zorg, voor zover dit niet binnen het ZZP-pakket valt. Het gehanteerde uurtarief van €37 is redelijk en in lijn met de beleidsregel van de Nederlandse Zorgautoriteit. Het zorgkantoor heeft ook adequaat rekening gehouden met hulp bij het huishouden. De beperking van de meerzorgperiode tot twee jaar is niet in strijd met wettelijke of ongeschreven rechtsregels.
De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep van appellante af. Het zorgkantoor wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt afgewezen en het bestreden besluit wordt bevestigd.