Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1. Feiten
- alle beslissingen van verweerder aan individuele cliënten inzake het opleggen van een maatregel op grond van artikel 18, vierde lid, sub a, f en h, van de Participatiewet (PW);
- alle bezwaren die door of namens individuele cliënten bij verweerder zijn ingediend met betrekking tot artikel 18, vierde lid, sub a, f en h, van de PW;
- alle adviezen van de bezwaarschriftencommissie Orionis Walcheren met betrekking tot de bezwaarschriften die door individuele cliënten zijn ingediend met betrekking tot artikel 18, vierde lid, sub a, f en h, van de PW;
- alle beslissingen op bezwaar die door verweerder zijn afgegeven aan individuele cliënten met betrekking tot artikel 18, vierde lid, sub a, f en h, van de PW.
2. Gronden
5. Conclusie
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit van 1 februari 2019 niet-ontvankelijk is;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1050,-.