ECLI:NL:RBZWB:2020:6623

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2020
Publicatiedatum
24 december 2020
Zaaknummer
AWB- 20_9981 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking uitkering Participatiewet

Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2020 waarbij zijn uitkering op grond van de Participatiewet werd ingetrokken wegens overschrijding van de toegestane verblijfsduur in het buitenland. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen om het besluit te schorsen.

De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker geen spoedeisend belang had bij het verzoek. De uitkering was ingetrokken met ingang van 18 augustus 2020, maar verzoeker had op 2 december 2020 een nieuwe uitkering aangevraagd. De nieuwe aanvraag was in behandeling en naar verwachting zou binnen een week een toekennende beslissing volgen.

De voorzieningenrechter stelde vast dat een voorlopige voorziening in beginsel niet terugwerkende kracht heeft en dat er geen acute spoedeisendheid was. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van de uitkering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 20/9981 PW VV

uitspraak van 22 december 2020 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,

gemachtigde: mr. W. Aerts, advocaat te Vlissingen,
en

het Dagelijks Bestuur van Orionis Walcheren, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 2020 (bestreden besluit) van Orionis waarbij verzoekers uitkering op grond van de Participatiewet is ingetrokken.
Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker ontving een uitkering op grond van de Participatiewet. Bij het bestreden besluit is de uitkering ingetrokken met ingang van 18 augustus 2020 wegens overschrijding van de toegestane duur van verblijf in het buitenland. Hij heeft op 2 december 2020 opnieuw een uitkering aangevraagd.
2. Verzoeker heeft, samengevat, aangevoerd dat hij geen inkomen heeft. Hij heeft uiteengezet waarom hij niet eerder uit het buitenland is teruggekeerd. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht het bestreden besluit te schorsen.
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4. De voorzieningenrechter staat ambtshalve stil bij de vraag of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.
Om een voortvarende behandeling van het verzoek te bevorderen heeft de griffier op 9 december 2020 telefonisch contact opgenomen met Orionis om de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen. De griffier heeft toen gesproken met [naam medewerker Orionis] .
Deze heeft verklaard dat de nieuwe aanvraag van verzoeker in behandeling is genomen en dat daar, naar verwachting, binnen een week een toekennende beslissing op genomen zal worden.
In een brief van 10 december 2020 heeft de griffier de verklaring van [naam medewerker Orionis] meegedeeld aan verzoekers gemachtigde. Tevens heeft de griffier hem de beslissing van de voorzieningenrechter meegedeeld dat de behandeling van het verzoek wordt aangehouden in afwachting van een bericht van verzoekers gemachtigde over een beslissing op de nieuwe aanvraag, of over het uitblijven van die beslissing.
In een brief van 16 december 2020 spreekt verzoekers gemachtigde niet over een beslissing op de nieuwe aanvraag. Uit die brief blijkt dat het zwaartepunt van het spoedeisend belang ligt in de omstandigheid dat verzoeker, als hij weer uitkering gaat ontvangen, nog steeds vier maanden geen inkomsten zal hebben genoten,
Met het oog op het uitblijven van een mededeling van verzoekers gemachtigde over de beslissing op de nieuwe aanvraag gaat de voorzieningenrechter er van uit dat inmiddels uitkering is toegekend, zoals op 9 december 2020 verwacht werd door [naam medewerker Orionis] .
Over de vraag of een spoedeisend belang ligt in de omstandigheid dat verzoeker vanaf 18 augustus 2020 geen uitkering heeft ontvangen, overweegt de voorzieningenrechter dat
een voorlopige voorziening in beginsel niet op een vroegere datum ingaat dan op de datum waarop het verzoek is ingediend. Bovendien moet sprake zijn van acute (dus actuele) spoedeisendheid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:856). Van bijzondere omstandigheden om van deze uitgangspunten af te wijken is niet gebleken.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Sierkstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P. Oudkerk, griffier, op 22 december 2020 en is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak is geen (hoger) beroep mogelijk.