ECLI:NL:CRVB:2015:856

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2015
Publicatiedatum
20 maart 2015
Zaaknummer
15-417 WWB-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:81 AwbArt. 52 ParticipatiewetWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inlichtingen

Verzoeker diende op 6 juni 2014 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Het college wees de aanvraag op 14 juli 2014 af wegens onvoldoende verstrekte inlichtingen om het recht op bijstand vast te stellen. Verzoeker maakte bezwaar, maar dit werd op 3 december 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Hoewel verzoeker voorschotten ontving op 27 januari en 23 februari 2015, stelde hij dat een spoedeisend belang bestond om schulden te kunnen betalen indien bijstand met terugwerkende kracht zou worden toegekend.

De voorzieningenrechter benadrukte dat het verzoek om voorlopige voorziening niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te versnellen. De omstandigheden van verzoeker, waaronder het ontvangen van voorschotten en het feit dat hij bij zijn moeder woont die voor eten zorgt, tonen geen acute spoedeisendheid. Ook de schuldenlast werd niet als bedreigend aangemerkt. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

15/417 WWB-VV
Datum uitspraak: 17 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2014, 14/8199 en 14/8598 (aangevallen uitspraak). Tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het college heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2015. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.R. Keyser.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Op 6 juni 2014 heeft verzoeker een aanvraag ingediend om bijstand, ten tijde hier van belang op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft verzoeker in dat kader verzocht nadere stukken te overleggen.
1.2.
Bij besluit van 14 juli 2014 heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat verzoeker onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt om het recht op bijstand vast te stellen.
1.3.
Bij besluit van 3 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 juli 2014 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.
3. Verzoeker heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hieruit vloeit voort dat in een situatie waarin geen sprake is van enig spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening.
4.2.
Niet in geschil is dat het college op 27 januari 2015 en 23 februari 2015, in het kader van een (nieuwe) aanvraag om bijstand van 29 december 2014, aan verzoeker voorschotten heeft verstrekt van telkens € 697,42.
4.3.
Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening thans daarin is gelegen dat, indien komt vast te staan dat hij met terugwerkende kracht recht heeft op bijstand, hij in staat is zijn schulden te betalen.
4.4.
De voorzieningenrechter wijst allereerst op vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB van 2 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO0764), waaruit volgt dat de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen niet is bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
4.5.
De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een acute (dus actuele) spoedeisendheid. Wat verzoeker in dit verband naar voren heeft gebracht, geeft daarvan geen blijk. De omstandigheid dat de aangevallen uitspraak naar de mening van verzoeker niet in stand zal kunnen blijven en dat hij daardoor ten onrechte over de periode in geding geen bijstand heeft ontvangen - wat daarvan verder ook zij - vormt op zichzelf niet een voldoende grondslag voor het oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vordert. Op 27 januari 2015 en 23 februari 2015 heeft verzoeker voorschotten ontvangen waaruit hij wordt geacht de noodzakelijke kosten van levensonderhoud te kunnen voldoen. Het college heeft ter zitting meegedeeld dat, onder toepassing van het bepaalde in artikel 52 van Pro de Participatiewet, voorschotten zullen worden verstrekt totdat een beslissing is genomen op de aanvraag van 29 december 2014. Bovendien heeft verzoeker desgevraagd ter zitting te kennen gegeven dat hij nog altijd op het adres van zijn moeder inwonend is en door haar van eten wordt voorzien. Dat verzoeker een substantiële schuldenlast heeft, leidt niet tot een ander oordeel ten aanzien van de spoedeisendheid. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat het bij deze in het verleden opgebouwde schulden gaat om bedreigende schulden.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 8:81 van Pro de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2015.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) S.W. Munneke

MK