Eiser ontving een WW-uitkering nadat zijn werkgever failliet was verklaard en hij pensioenuitkeringen van ASR en Allianz ontving. Het UWV heeft deze pensioenen in mindering gebracht op zijn WW-uitkering, wat eiser betwistte met verwijzing naar uitzonderingen in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB).
De rechtbank onderzocht de drie uitzonderingen op de pensioeninhouding en concludeerde dat eiser niet aan deze uitzonderingen voldoet. De dienstbetrekking waarop zijn WW-rechten zijn gebaseerd, is die bij zijn oorspronkelijke werkgever, en hij ontving pas pensioen na het einde van deze dienstbetrekking.
Hoewel het UWV het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en de hoorplicht niet correct heeft nageleefd, acht de rechtbank dit niet nadelig voor eiser omdat het besluit inhoudelijk juist is. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en beperkte proceskosten van eiser.