ECLI:NL:RBZWB:2020:7102
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op startperiode zelfstandige en vrijlaten gewerkte uren WW-uitkering
Eiser heeft een WW-uitkering ontvangen vanaf 3 september 2018 en verzocht om toestemming voor een startperiode als zelfstandige met behoud van uitkering. Het UWV weigerde deze toestemming omdat eiser reeds als zelfstandige werkzaam was vanaf begin 2019, voorafgaand aan de WW-uitkering die op 1 juni 2019 inging.
Daarnaast oordeelde het UWV dat eiser geen recht had op het vrijlaten van gewerkte uren als zelfstandige, omdat de relevante periode voor vrijstelling 26 weken voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband op 1 september 2018 is, en de uren die hij daarna werkte niet in aanmerking komen.
De rechtbank bevestigt dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een startperiode, omdat hij al werkzaamheden als zelfstandige verrichtte voordat zijn WW-uitkering begon. Ook is zijn beroep op vrijlaten van uren ongegrond, omdat hij de uren niet binnen de wettelijk voorgeschreven periode heeft gewerkt.
Eisers stelling dat hij ook voor 1 september 2018 zelfstandige werkzaamheden verrichtte, is onvoldoende onderbouwd en wordt niet aanvaard. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV mag het bestreden besluit handhaven.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het UWV mag het besluit handhaven.