Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem geen WIA-uitkering toe te kennen per 26 augustus 2019. De kern van het geschil betreft de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, die het UWV heeft vastgesteld op 26,90%, terwijl voor recht op uitkering minimaal 35% vereist is.
De rechtbank heeft het medisch dossier en de rapportages van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) zorgvuldig bestudeerd. Hoewel eiser aanvullende medische stukken aanvoert en stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn, concludeert de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de objectief vastgestelde beperkingen juist zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat eiser zijn eigen functie niet meer kan verrichten, maar dat hij wel geschikt is voor andere functies passend bij zijn beperkingen. Op basis daarvan heeft het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid berekend. Omdat eiser geen tegenbewijs heeft geleverd tegen deze berekening, oordeelt de rechtbank dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 26,90% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering heeft geweigerd.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.