Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
3.Proceskosten
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft BPM betaald voor drie in Duitsland nieuw geproduceerde auto’s die in februari 2018 voor het eerst in Nederland zijn toegelaten. Zij baseerde de BPM-berekening op het tarief van 2017, terwijl de inspecteur het tarief van 2018 toepaste en naheffingsaanslagen oplegde.
De rechtbank oordeelt dat belanghebbende niet kan terugvallen op het historische tarief van artikel 16a Wet BPM, omdat de auto’s in 2017 niet zonder tenaamstelling in het kentekenregister stonden ingeschreven. Ook een beroep op artikel 110 VWEU Pro faalt, mede gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad dat BPM niet van toepassing is op nieuwe motorvoertuigen die nog niet in Nederland geregistreerd zijn.
Verder kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van de beroepsprocedure en vergoedt zij de proceskosten en het griffierecht.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslagen blijven in stand en de Staat wordt veroordeeld tot schadevergoeding en kostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep op het historische BPM-tarief wordt afgewezen en de naheffingsaanslagen blijven in stand.