Belanghebbende deed aangifte BPM voor een auto met eerste toelating op 2 februari 2016, waarbij zij het historische tarief van 2015 wilde toepassen. De inspecteur accepteerde dit niet en stuurde een betaalbericht met een hoger bedrag op basis van het tarief van 2016, waarop belanghebbende onder protest akkoord ging en betaalde. Na bezwaar en beroep erkende de inspecteur dat het historische tarief van 2015 van toepassing was, waardoor het beroep gegrond werd verklaard.
Het enige geschilpunt was de hoogte van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende vorderde vergoeding van werkelijke kosten, stellende dat de inspecteur onrechtmatig had gehandeld door het bedrag eigenhandig te verhogen. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet tegen beter weten in of ernstig onzorgvuldig had gehandeld, omdat de verhoging voortvloeide uit de door belanghebbende toegestemde datumwijziging en de geldende wettelijke bepalingen op dat moment.
Verder werd een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend, waarbij de rechtbank de overschrijding van 28 maanden vaststelde en de schadevergoeding verdeelde tussen de inspecteur en de Minister van Justitie en Veiligheid. Ook werd het griffierecht aan belanghebbende vergoed.
De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar, stelde de verschuldigde BPM vast op het oorspronkelijke bedrag van €35.971 en wees een forfaitaire proceskostenvergoeding van €1.598 toe.