Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2021 in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [plaatsnaam] , eiseres
,verweerder.
Procesverloop
Zij krijgt per 4 weken uitbetaald en deze inkomsten kunnen via de loonstroken berekend worden naar een maandinkomen, zoals bepaald in artikel 4.1, eerste lid, van het Algemeen Inkomensbesluit Sociale Zekerheidswetten (AIB). Een omrekening naar het maandinkomen op grond van artikel 4.1, tweede lid, van het AIB is dan overbodig.
Volgens eiseres maakt het voor de eindafrekening niet uit of de eindejaarsuitkering maandelijks wordt meegenomen of eenmaal per jaar wordt gekort. Het UWV heeft ten onrechte artikel 4.1, elfde lid, van het AIB niet toegepast en het bedrag van € 1.161,18 aan uitruil van eindejaarsuitkering voor reiskosten niet in mindering gebracht op haar inkomsten. Ook de uitbetaalde voorschotten zijn door het UWV onjuist weergegeven. Alleen de maanden februari tot en met april 2018 zijn juist.
Daarnaast is zij zeer verbaasd dat het UWV tot driemaal toe met een andere berekening komt over één jaar. Ze wil waar ze recht op heeft en vraagt het UWV om te kijken naar rechtvaardigheid en niet alleen naar het wettelijke recht. Eiseres vraagt de rechtbank om een belangenafweging op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Tot slot geeft eiseres aan het niet eens te zijn met de lange duur van de procedure en de wijze van afhandeling van haar bezwaar.
Oordeel rechtbank