ECLI:NL:CRVB:2019:1835
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste berekening WGA-uitkering ondanks inzet vakantiebijslag en EPS voor andere doelen
Appellant ontving een WGA-uitkering en was daarnaast werkzaam als ICT-tester bij het UWV, waarbij zijn inkomsten werden verrekend met de uitkering. Hij maakte bezwaar tegen de definitieve vaststelling van zijn WGA-uitkering over bepaalde maanden, omdat hij vond dat het UWV ten onrechte geen rekening hield met het feit dat hij een deel van zijn extra periodiek salaris (EPS) en vakantiebijslag had ingezet voor extra vakantie-uren en reiskostenvergoeding, waardoor zijn SV-loon lager was.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat het UWV terecht uitging van de per tijdvak opgebouwde bedragen aan vakantiebijslag en EPS, conform artikel 4:1, achtste lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB), en niet van de daadwerkelijk uitbetaalde bedragen. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt, stellende dat het UWV had moeten uitgaan van het SV-loon uit Suwinet en niet van loonstroken. De Centrale Raad van Beroep bevestigt echter dat het UWV de juiste wettelijke grondslag heeft toegepast en dat de keuze van appellant om EPS en vakantiebijslag voor andere doelen in te zetten, niet leidt tot een onjuiste berekening van de uitkering.
De Raad concludeert dat de berekening van de WGA-uitkering correct is en dat het UWV geen aanleiding had om af te wijken van de standaardtoepassing van artikel 4:1, achtste lid, van het AIB. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de berekening van de WGA-uitkering door het UWV bevestigd.