Eiser ontvangt sinds 2000 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV stelde in twee besluiten de uitkering definitief vast over de periodes 1 september 2017 tot 31 januari 2019 en 1 februari 2019 tot 30 april 2019. Eiser maakte bezwaar tegen de vaststelling, stellende dat een deel van zijn loon een aanvulling betreft op basis van oude afspraken (sociaal loon) en dat onterecht is uitgegaan van een volledige loonwaarde, mede gezien een vermeende WAO-gatverzekering.
De rechtbank constateert dat eiser voldoende aanwijzingen heeft ingebracht die het UWV hadden moeten bewegen tot nader onderzoek, onder meer naar de aard van de looncomponenten en het bestaan van een WAO-gatverzekering. Het UWV heeft dit nagelaten, waardoor het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en een motiveringsgebrek vertoont.
De rechtbank wijst het beroep toe en stelt het UWV in de gelegenheid binnen acht weken het gebrek te herstellen door een arbeidsdeskundig onderzoek te laten verrichten. De verdere beslissing wordt aangehouden tot de einduitspraak, waarbij ook de proceskosten nog niet worden beslist.