Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van 19 maart 2020 om een vergunning te verlenen aan een horecabedrijf op grond van de Drank- en Horecawet (DHW). Eiser betoogt dat de vergunninghouder niet voldoet aan het vereiste van 'niet van slecht levensgedrag zijn' vanwege meerdere overtredingen, waaronder geluidsnormen, sluitingstijden en meldingsplicht.
De burgemeester stelt dat het verlenen van de vergunning een discretionaire bevoegdheid is en dat geen sprake is van slecht levensgedrag, mede omdat er geen strafrechtelijke veroordelingen zijn en de overtredingen niet direct verband houden met de DHW. De rechtbank toetst terughoudend en overweegt dat zonder beleidsregels alleen evidente gedragingen kunnen leiden tot de kwalificatie slecht levensgedrag.
De rechtbank concludeert dat de overtredingen onvoldoende zwaarwegend zijn en onvoldoende verband houden met de doelen van de DHW om de vergunning te weigeren. Ook de inrichtingseisen van het Besluit eisen inrichtingen DHW zijn niet geschonden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.