Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende had een auto opgenomen in zijn bedrijfsvoorraad die geparkeerd stond op een terrein bij een bedrijfspand, niet het bedrijfsadres van belanghebbende. De auto was niet voorzien van geldige handelaarskentekenplaten. De inspecteur legde een naheffingsaanslag en een boete op wegens het niet voeren van deze platen tijdens het gebruik van de weg.
Belanghebbende voerde aan dat het terrein privéterrein was, mede onderbouwd met een bord met de tekst 'eigen terrein', maar dit bord was onvoldoende zichtbaar. De rechtbank stelde vast dat het terrein feitelijk voor het openbaar rijverkeer openstaat omdat er geen duidelijke afscheiding is en het algemene verkeer het terrein kan betreden zonder belemmering.
De rechtbank oordeelde dat het terrein als openbare weg in de zin van artikel 5 van Pro de Wet MRB moet worden aangemerkt. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat niet was aangetoond dat vergelijkbare gevallen gelijk waren. Ook de opgelegde verzuimboete was passend en geboden, aangezien geen sprake was van afwezigheid van alle schuld.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en boetebeschikking zijn terecht opgelegd omdat het terrein als openbare weg wordt aangemerkt.