Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, maakte bezwaar tegen de Nederlandse aanslag inkomstenbelasting over 2015, waarin hij persoonlijke tegemoetkomingen zoals aftrek eigen woning en heffingskortingen niet toegekend kreeg. Hij beriep zich op de Schumacker-doctrine, stellende dat Duitsland als woonstaat vanwege zijn geringe inkomen geen rekening houdt met zijn persoonlijke en gezinssituatie.
De inspecteur stelde dat belanghebbende in Duitsland wel degelijk belasting verschuldigd was en dat de Duitse belastingaanslag diverse aftrekposten bevat die de persoonlijke situatie weerspiegelen. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in Duitsland geen voordelen ontving en dat het 'Ertragsanteil' van de pensioenuitkering niet als persoonlijke tegemoetkoming kon worden aangemerkt.
De rechtbank overwoog dat het aan belanghebbende was om feiten en onderbouwing te leveren waaruit een te gering inkomen in de woonstaat blijkt. Het enkele feit dat Duitsland geen aftrek voor negatieve eigen woninguitgaven kent, leidt niet tot een andere conclusie. De rechtbank concludeerde dat Nederland niet verplicht is persoonlijke tegemoetkomingen toe te kennen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de Nederlandse inkomstenbelastingaanslag 2015 is ongegrond verklaard.