Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 11 maart 2020;
- de brief van de rechtbank van 3 juni 2020, waarin is toegelicht dat de zitting van 24 juni 2020 in verband met de coronamaatregelen geen doorgang kan vinden en waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor re- en dupliek;
- de conclusie van repliek van 26 augustus 2020;
- de conclusie van dupliek van 18 november 2020;
- het verzoek om een mondelinge behandeling van [eiser] van 1 december 2020;
- de spreekaantekeningen zoals overgelegd bij de mondelinge behandeling van 31 maart 2021.
2.De feiten
€ 828.681,63 inclusief BTW. Hij schrijft daarbij:
De begroting die ik van Bouwbedrijf [eiser] (zonder hoeveelheden en bedragen) heb ontvangen is niet op alle punten tekstueel duidelijk. Mede door het ontbreken van hoeveelheden zouden er interpretatie verschillen kunnen zijn in mijn begroting en die van hen.
€ 960.048,56 inclusief BTW.
Conclusies:
), die op basis van al het hierboven gestelde zijn gedaan, hebben geleid tot een verhoging van bouwkosten van BI. Het nieuwe bedrag is nu 866.818,94 incl. BTW (dat was € 828.681,63).
3.Het geschil
€ 1.185,80, € 1.089,- en van € 1.788,53, vermeerderd met rente en kosten.
4.De beoordeling
De ontvankelijkheid van de vorderingen
vergoeding voor verrichte werkzaamheden(cursivering rechtbank). Het zal, gezien het moment waarop de 10% verschuldigd zal zijn, gaan om werkzaamheden die zijn verricht in de ontwerpfase. Er zullen in de regel immers nog geen bouwwerkzaamheden zijn verricht, voordat overeenstemming zal zijn bereikt over de aannemingsovereenkomst. Dat de 10% ziet op verrichte ontwerpwerkzaamheden, volgt niet alleen uit de structuur van de bouwteamovereenkomst maar ook uit het tweede lid van artikel 23 van Pro de bouwteamovereenkomst, waarin is bepaald dat het de opdrachtgever tegen betaling van dit bedrag vrijstaat om de door de aannemer in het bouwteam ontwikkelde en in het bouwteam ingebrachte tekeningen, berekeningen en overige kennis naar eigen goeddunken te gebruiken.
verrichte werkzaamhedenen dus niet op misgelopen inkomsten/winst wegens de niet totstandkoming van de aannemingsovereenkomst, terwijl bij twijfel over de uitleg van een beding de voor de wederpartij gunstigste uitleg prevaleert. En ook als aangenomen wordt dat de verrichte offertewerkzaamheden vallen onder de verrichte werkzaamheden waarop de vergoeding van 10% ziet, geldt nog steeds dat de vergoeding verschuldigd is, ongeacht óf offertewerkzaamheden zijn verricht en tegen welke omvang, zodat dit niet wegneemt dat de bepaling in strijd is met dwingend recht.
€ 1.185,80.
5.De beslissing
€ 1.089,-), vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf 12 april 2019 tot aan de dag van volledige betaling;