De zaak betreft een bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin werd vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan had. Eiser maakte bezwaar, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de gronden van het bezwaar ontbraken en de herstelverzuimtermijn volgens verweerder was verstreken.
De rechtbank constateert dat verweerder onjuist heeft aangenomen dat de herstelverzuimtermijn twee weken bedroeg, terwijl in de brief van verweerder zelf een termijn van vier weken was genoemd. Bovendien was deze termijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet verstreken. Hierdoor had verweerder het bezwaar niet niet-ontvankelijk mogen verklaren.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van het griffierecht aan eiser.