Eiser was werkzaam bij een bedrijf en meldde zich ziek, waarna hij op staande voet werd ontslagen. Dit ontslag werd later niet gehandhaafd. Het UWV legde eiser een maatregel op door zijn Ziektewet-uitkering over januari en februari 2020 geheel te korten wegens een benadelingshandeling, omdat eiser zijn recht op loon prijsgaf door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst terwijl hij zich had kunnen beroepen op het ontslagverbod tijdens ziekte.
Eiser voerde aan dat hij onder druk en vanwege psychische klachten de overeenkomst had getekend en dat zijn ex-werkgever zijn ziekmelding niet accepteerde. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende medische informatie heeft overgelegd die zijn handelwijze onbegrijpelijk maakt en dat het UWV bekend was met zijn psychische problematiek. Ook was het aan eiser om zich tot een bedrijfsarts of het UWV te wenden.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hij onder druk heeft ingestemd met de beëindiging van het dienstverband, mede omdat hij werd bijgestaan door een advocaat. Er zijn geen dringende redenen om af te zien van de maatregel. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en blijft de maatregel van het UWV in stand.