Op 17 januari 2021 heeft verdachte in Breda twee keer met een mes in de schouder van het slachtoffer gestoken, wat letsel heeft veroorzaakt. De rechtbank oordeelt dat de poging tot doodslag niet wettig en overtuigend is bewezen, omdat er geen opzet op de dood is vastgesteld. Wel is bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij zwaar letsel zou toebrengen, waardoor sprake is van poging tot zware mishandeling.
Tijdens de zitting van 4 mei 2021 heeft de officier van justitie een gevangenisstraf van 98 dagen geëist, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een posttraumatische stressstoornis en verminderde toerekeningsvatbaarheid. De verdediging stemde in met de eis en vroeg geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf boven het voorarrest.
De rechtbank veroordeelt verdachte tot 98 dagen gevangenisstraf, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals behandeling en meldplicht bij de reclassering. Tevens wordt verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan het slachtoffer van €1.817,55 plus wettelijke rente, met een schadevergoedingsmaatregel die gijzeling mogelijk maakt bij niet-betaling.
De rechtbank houdt rekening met het reclasseringsadvies waarin sprake is van diverse psychische problematiek en een gemiddeld risico op recidive. De straf is mede gebaseerd op de proceshouding van verdachte, die het feit bekend heeft en spijt betuigt. De vrijspraak voor poging tot doodslag wordt uitgesproken omdat het vereiste opzet op de dood niet is aangetoond.