Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende kocht in 2015 een woning met de intentie deze zelf te bewonen, maar feitelijke levering vond pas plaats op 31 augustus 2016. De woning werd tot die datum bewoond door de verkopers. De inspecteur legde ambtshalve aanslagen inkomstenbelasting op voor 2016 en 2017, waarbij het inkomen uit sparen en beleggen werd belast op basis van de WOZ-waarde van de woning.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslagen en stelde onder meer dat de woning vanaf juridische levering als eigen woning moest worden aangemerkt en dat de aanslag niet terecht was opgelegd omdat een navorderingsaanslag was aangekondigd. De rechtbank oordeelde dat de woning tot de feitelijke levering geen eigen woning was omdat deze niet ter beschikking stond als hoofdverblijf en dat de aanslag ambtshalve terecht kon worden opgelegd zonder te voldoen aan de voorwaarden voor een navorderingsaanslag.
Verder stelde belanghebbende dat de WOZ-waarde niet passend was voor de waardering van de woning. De rechtbank volgde dit niet en bevestigde dat de WOZ-waarde als uitgangspunt geldt voor de waardering van de woning in het kader van de Wet IB 2001, ook in de bijzondere situatie van belanghebbende.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting 2016 wordt ongegrond verklaard en de aanslag bevestigd.