Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een consultant met een eenmanszaak, voerde werkzaamheden uit in verschillende plaatsen en huurde daarvoor tijdelijk een studio en een kamer. Hij claimde in zijn belastingaangiften 2014 en 2015 eigen verteerkosten als zakelijke kosten, welke door de inspecteur werden gecorrigeerd omdat deze kosten niet als ondernemingskosten kwalificeren.
De rechtbank beoordeelde of de eigen verteerkosten tijdens het verblijf in de studio en kamer als ondernemingskosten in de zin van artikel 3.8 Wet IB 2001 kunnen worden aangemerkt. Hierbij werd overwogen dat de overheersende oorzaak en het karakter van de uitgaven bepalend zijn. Hoewel de verblijfskosten zakelijk zijn, geldt dit niet voor de eigen verteerkosten, die een primaire levensbehoefte betreffen en een privékarakter hebben.
Belanghebbende voerde aan dat zakelijke overwegingen meespelen bij het niet zelf doen van boodschappen en koken, en vergeleek zijn situatie met die van een werknemer wiens werkgever verteerkosten mag aftrekken. De rechtbank verwierp deze vergelijking omdat de relatie tussen werkgever en werknemer anders is dan die van een ondernemer met zichzelf.
De rechtbank concludeerde dat de eigen verteerkosten geen ondernemingskosten zijn en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de restrictieve toepassing van aftrek eigen verteerkosten binnen de Wet IB 2001.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat eigen verteerkosten geen ondernemingskosten zijn en niet aftrekbaar.