Belanghebbende, een consultant met een eenmanszaak, bracht in zijn belastingaangiften voor 2014 en 2015 kosten voor ontbijt, lunch en diner tijdens tijdelijke opdrachten in Amsterdam en Tilburg in aftrek als zakelijke kosten. De Inspecteur corrigeerde deze aftrekposten omdat deze kosten volgens hem een privékarakter hebben. De Rechtbank verklaarde de beroepen van belanghebbende ongegrond en oordeelde dat de eigen verteerkosten geen ondernemingskosten zijn omdat zij een primaire levensbehoefte betreffen en dus privé-uitgaven zijn.
In hoger beroep stelde belanghebbende dat de verteerkosten wel zakelijke kosten zijn, mede omdat hij deze kosten maakt vanwege zakelijke motieven en verwees naar het gelijkheidsbeginsel en vergelijkingen met werknemers. Het Hof verwierp deze stellingen en bevestigde dat de kosten vanwege hun overheersend privékarakter niet aftrekbaar zijn. Het Hof benadrukte dat het feit dat verblijfskosten zakelijk zijn, niet betekent dat de eigen verteerkosten dat ook zijn.
Verder oordeelde het Hof dat ondernemers en werknemers niet in gelijke omstandigheden verkeren, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Ook werden andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwens- en motiveringsbeginsel, niet geschonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bekrachtigd.