Op 10 juli 2020 veroorzaakte verdachte een botsing met een fietser op een voorrangsfietspad in Hilvarenbeek. De rechtbank oordeelde dat verdachte onvoldoende zorgvuldig had gekeken en daardoor een verkeersfout beging door het slachtoffer geen voorrang te verlenen. Er was echter geen bewijs van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of roekeloosheid die het primair ten laste gelegde feit zou ondersteunen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit van schuld in de zin van artikel 6 WVW94, maar achtte bewezen dat verdachte de voorrang niet had verleend, hetgeen een verkeersovertreding vormt. Verdachte veroorzaakte daardoor gevaar op de weg en kwam in botsing met het slachtoffer, die minstens zes maanden arbeidsongeschikt was door een hersenschudding.
De officier van justitie vorderde een boete van 1.000 euro en een voorwaardelijke rijontzegging, maar de rechtbank legde een geldboete van 500 euro op en vervangende hechtenis van 10 dagen bij niet-betaling. Een rijontzegging werd niet opgelegd vanwege het geringe verwijt en de blanco strafrechtelijke voorgeschiedenis van verdachte.
De uitspraak benadrukt dat schuld in de zin van artikel 6 WVW94 een aanmerkelijke mate van onvoorzichtigheid vereist, die in deze zaak niet is vastgesteld. De strafmaat is gematigd gelet op de omstandigheden en de ernst van de overtreding.