Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg om hun aanvraag voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet niet in behandeling te nemen. Zij verzochten de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat verzoekers sinds 1983 bij hun dochter wonen en hun vaste lasten deels zelf betalen. Verzoekers hebben in het verleden een eigen onderneming gehad, maar leven sinds 2017 van de verkoop van eigen bezittingen en financiële steun van hun zoon en dochter. Het college heeft meerdere keren om aanvullende gegevens gevraagd, met telkens een uiterste inlevertermijn, maar heeft de aanvraag uiteindelijk buiten behandeling gesteld wegens het niet aanleveren van de gevraagde stukken.
Verzoekers stelden dat zij wel stukken hebben ingeleverd en dat niet alle gevraagde informatie relevant is. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een spoedeisend belang, mede omdat de financiële gegevens die zij overlegden gedateerd zijn en er geen acute noodsituatie is. Ook is het bestreden besluit niet evident onrechtmatig. Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak is gedaan op 10 juni 2021 door voorzieningenrechter V.M. Schotanus en griffier T.B. Both-Attema. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.